Krachtige golven hameren dreigend op de rotsen neer
Geduldig, eindeloos, als willen zij ze neder halen.
En soms dan wordt hun zwoegen beloont, en valt neer
Een brok rots; ze halen de buit, zonder talen.
Al eeuwen, zelfs millennia, duurt dit zeegeweld
Hoe velen voor mij heeft het niet bekoord?
Hoe veel mensen heeft dit drieste op 't gemak gesteld?
Hoe veel zijn meegenomen naar een ander oord?
De golven, zo hoog en zo driest als zacht en aardig,
Maken een geluid dat al het andere overstemt.
Boven op de rosten is een rijk, iedereen waardig.
Maar soms, in de nacht, wordt duister ingeklemd.
En langzaam aan sijpelt het in mijn hart en ziel,
Ongemerkt tast het mijn gedachten aan;
Tot het mij bezit van kruin tot hiel.
Ach, waarom laat 't me niet gaan?
'Het is een deel van ons.', zo fluisteren de golven,
'Zowel 't licht en 't duister in ons zijn groot.'
Op dat moment werd ik onder moed bedolven,
En zo spring ik naar mijn dood.
29 april 2004 Carolien Marijke Magdeld van Jaaren
| Maak geen misbruik van dit gedicht. Do not misuse this poem. Meer informatie / more information gedichten@indronten.nl |
||
Links | ||