De treurwilg

Het ziet eruit alsof je huilt,
en je blad je tranen zijn.
Het loof, waarin in een eendje schuilt,
Hangt in het water. 't Is fijn.

Altijd sta je aan de waterkant:
Plassen, sloten of een meer;
Zolang het stroomt is er verband
Tussen water en de eenzame heer

Die daar staat de denken, heel alleen.
Waarover laat zich raden. Hij houdt het geheim.
Andere bomen scharen in groepen bijeen;
De treurder zonder zich af van het geslijm.

Hij lijkt eenzaam en verlaten;
En misschien dat hij daarom traant.
Toch schijnt hij rustig en belaten:
De eenzame, waar niemand naar taant.

Ik vraag me af waarom hij weent.
Is het om de verhalen van het water
Of de eenzaamheid waarvan hij meent
Dat het overweldigd en hem verzwelgt, later?

Ach, ik gis maar wat en weet het niet.
Nooit zal ik weten waarom hij alleen staat
Of waarom hij weent. Toch, als men hem ziet
Verdwijnen de eigen tranen. Hij slaat

Ons in het gezicht en veegt het zilte nat eraf.
Treur niet, schijnt hij te zeggen, ween toch niet,
Droog je tranen, recht je rug en zet de zorgen van je af
Ik draag ze graag en ween ook voor jou, zoals je ziet.

10 januari 2004 Carolien Marijke Magdeld van Jaaren

Maak geen misbruik van dit gedicht.
Do not misuse this poem.
Meer informatie / more information gedichten@indronten.nl

Links