Wolken, groeiend in kracht en grootte, gehuld in donkere kleden
- het grijs van het verleden, het zwart van de toekomst en het donkergrijs van het heden - ,
die dreigend lijken in de nacht en ongrijpbaar zijn in de dag, trekken samen.
De wind zwelt aan, aangespoord door de wolken hun woorden.
Ze brult en schreeuwt, verstuift zand en trekt aan de koorden;
Vernieling is wat ze wil. Overdonderend is haar stem.
Water en wind gaan hand in hand, allebei rustig of herrie van de twee,
Dus ook zij wordt kwaad en eist de aandacht. Gewelddadig wordt de zee.
Hun razen en tieren bezorgen Vulcanus, beneden in zijn smidse, helse hoofdpijn.
Plots vind de zon dat ene gat en rijt de wolken uiteen. Ze kleuren roze, paars en geel, voordat ze weer worden tot hun simpel wit.
Bomen rusten uit en kreunen nu niet langer onder het natuurgeweld met hun eeuwig hevige gevit.
De lucht is opgeklaard, de gemoederen van de goden bedaard, en wij, in onze onwetendheid, gespaard.
december 2003 Carolien Marijke Magdeld van Jaaren
| Maak geen misbruik van dit gedicht. Do not misuse this poem. Meer informatie / more information gedichten@indronten.nl |
||
Links | ||